<
actueel / nieuws

Next Level sessie II - Ruilen, uitwisselen en ontwerpen

01 april 2015

Terugblik op sessie II tijdens de Next Level bijeenkomst: Onder leiding van Saskia Beer werd duidelijk dat het 'next level' in deze sessie zit in de betrokkenheid van de ontwerper bij het thema en de casuslocatie. Daarin nemen ontwerpers verschillende rollen in waardoor andere werkwijzen ontstaan. De een kiest voor het adopteren van een gebied en werkt heel lokaal, terwijl de andere juist kiest voor een bredere benadering om naast specifieke, ook tot generieke bevindingen te kunnen komen.

Artikel door Vers Beton:

Of het nu gaat om goederen, ruimte, tijd, geld of goodwill; om met meerdere partijen tot innovatie te komen, zal er een uitwisseling plaatsvinden van deze middelen. In parallelsessie 2 wordt aan de hand van drie pitches gesproken over de kansen en uitdagingen die ontwerpers daar bij tegen komen.

Eigenaren, geen eindgebruikers
De eerste pitch wordt gegeven door Jochem Timmer van project Noordzuiden. Noordzuiden richt zich op stedelijke herverkaveling en stelt dat onder invloed van de crisis en de aankomende nieuwe omgevingswet innovatie vereist is. De eigenaren in plaats van de eindgebruikers van vastgoed zijn het uitgangspunt. Op deze manier moet aanbod en vraag beter op elkaar aansluiten. Het project heeft zojuist een verkennende fase achter de rug, met een case in de provincie Gelderland. De dilemma's waar ze tegen aan gelopen zijn en aan de groep voor leggen zijn de volgende: Het project is in deze fase vanuit gemeenten opgestart, maar zou om te slagen meer bottom-up moeten plaats vinden. Daarnaast is de ervaring, dat eigenaren alleen investeren als ze zeker zijn van waardevermeerdering. Dat laat weinig ruimte voor het publieke doele.

Floris Schiferli van Superuse Studios neemt de tweede pitch voor zijn rekening. Bedrijventerrein Spaanse Polder, in het West-Rotterdam, is het gebied waar Pulseapp zich op richt. Floris vertelt enthousiast over de specifieke kenmerken van het gebied: het is een van de oudste bedrijventerreinen van de stad; kent een verborgen leegstand van 24%; de samenwerking tussen ondernemers verloopt moeizaam. Maar er is wel veel diversiteit, en daarom ziet Floris het gebied als zeer kansrijk. Een persoon, de Pulsescout, moet het gezicht van het project worden. Het doel is afvalstromen te inventariseren, en deze uit te wisselen om tot een duurzamer functionerend gebied te komen. Als tweede doel geldt dat de resultaten van dit proces data opleveren die nuttig zijn voor toekomstige terreinen. Het grootste probleem waar Pulseapp mee kampt is het vinden van pragmatische ondernemers die willen participeren. Economische belangen spelen daarbij een rol.

Geen consumptiemaatschappij
Samen met Bureau Boris uit Antwerpen, houdt David Dooghe zich bezig met het project Van consumptiemaatschappij naar gebruikersmaatschappij. David zat voorheen bij Rotterdamse Nieuwe, een innovatieve economische denktank voor jongeren. Naar aanleiding van een oproep van het Stimuleringsfonds houdt hij zich bezig met een ontwerpend onderzoek waarin wordt verkend hoe goederenstromen in een circulaire economie voldoende aansluiten bij de wensen van de gebruikers. Na veel gesproken te hebben met betrokkenen hebben zij drie perspectieven op de kwestie geformuleerd: producenten, zakgeld en lifestyle. Op dit moment staan ze voor een aantal vragen. Welke kenmerken zijn locatiespecifiek, landelijk of stedelijk? Daar op volgt de vraag op welke manier de kenmerken en conclusies ruimtelijk vertaald kunnen worden.

De gepresenteerde projecten vallen en staan bij participatie van meerdere partijen; ondernemers, eigenaren van vastgoed, gebruikers, bewoners. Hoewel de sprekers goed kunnen verwoorden hoe deze partijen zelf voordeel zullen hebben bij deze innovatie, lijkt het moeilijk om hen aan boord te krijgen. Vooral bij bedrijven en ondernemers is het moeilijk om verandering te weeg te brengen, als daar niet direct een financieel gewin tegen over staat. Door eerst te ontleden hoe de huidige gang van zaken tot stand is gekomen en hoe die gemotiveerd is, kan je doelgerichter de verandering inzetten.

Voor een deel zit het probleem in een verschil van denkwijze tussen de ontwerper en de ondernemer. Waar de ontwerper in efficiëntie denkt, is dat voor de ondernemer niet altijd het eerste doel. Vaak spelen andere eigen belangen mee, zoals familiebanden of gewoontes. Die zijn misschien niet de meest duurzame, maar voor de ondernemer wel van waarde. Door uit te zoeken waar die weerstand zit kan je dit veranderen. Omdat een direct resultaat van een dergelijk project moeilijk is aan te tonen, is scepsis bij ondernemers moeilijk weg te nemen. Lokale ondernemers zijn daarin wel makkelijker te overtuigen, grote beleggers zonder binding met de plek bijna niet.

Ruimtelijk = sociaal (en omgekeerd)
Deze discussie leidt als vanzelf naar de veranderende rol van de ontwerper. Nu het sociale krachtenveld zo'n grote rol speelt, is er een fase toegevoegd aan het ontwerpproces. Deze valt vaak buiten de comfortzone van een ontwerper. Hoe pak je dat aan?

Diana Krabbendam deelt haar ervaringen bij het ontwikkelen van de Wildemanbuurt in Amsterdam. Ze heeft daarbij de bewoners direct partners in het ontwerpproces gemaakt. Zoals uit het voorbeeld van Diana blijkt, is het heel belangrijk dat de ontwerper de plek waar hij werkt door en door kent. Sabrina Lindemann is met haar projectbureau OpTrek al jaren betrokken bij de Binckhorst in Den Haag. Zij vertelt dat het aarden in zo'n plek een langdurig traject is. Na vier jaar investeren ziet zij nu pas de eerste resultaten. Ze vraagt dan ook aan Jochem hoe goed hij de ondernemers waarmee hij in gesprek gaat eigenlijk kent, en wat hij aan hen vertelt over zijn eigen motivatie. Heeft hij zelf belang bij een goed resultaat voor de ondernemer, of vertrekt hij zodra het plan uitgevoerd is? Jochem geeft aan dat die communicatie inderdaad verbeterd kan worden.

David plaatst een kritische noot bij de sterke focus op het lokale. Als ontwerpen alleen op wijkniveau plaatsvindt dreigt versnippering en verlies van kwaliteit. Met het project waar hij bij betrokken is wordt juist gekozen voor een thema dat universeler is. Hoewel het interessant is dat op wijkniveau te bespreken, vindt hij dat de ontwerper er juist is voor het delen van kennis en een bredere blik op de zaak. Het loont daarom om te onderzoeken welke kenmerken in een case specifiek voor een locatie zijn, en welke juist generiek.

Het ruimtelijke en sociale vloeien in elkaar over, kan geconcludeerd worden. Het maakt de rol van de ontwerper breder dan ooit. Het biedt kansen, uitdagingen, en nodigt uit tot reflectie op de expertise van de ontwerper.

Fay van der Wal